De Vinkenburg in Bredevoort

Het moet wel een bijzonder gezicht zijn geweest wanneer men omstreeks 1917 langs De Vinkenburg liep. Niet alleen de schaal van het huis was imposant, maar ook het schijnsel van elektrisch ligt dat door de vensters naar buiten kwam was verbazingwekkend, dat had niemand thuis! Een centrale waterleiding was er in Bredevoort niet en dus werd er op bepaalde dagen, door een aantal daartoe aangewezen fabrieksarbeiders, een honderdtal liters water opgepompt naar een tank op zolder. Zo kon de familie het toilet doorspoelen en zich wassen met leidingwater in de daarvoor geïnstalleerde badkamer. Wat een luxe!

Op 26 april 1916 trouwde de Bredevoortse textielfabrikant August Sevink met de Rotterdamse cargadoorsdochter Henriette van der Meulen. Voor deze welgestelde, stedelijk georiënteerde dame moet Bredevoort maar een povere indruk hebben gemaakt. Verharde wegen waren er nauwelijks en elektriciteit en waterleidingen al helemaal niet. Om te zorgen dat Henriette zich toch thuis zou voelen in Bredevoort, werd er, waarschijnlijk op initiatief van haar vader, opdracht gegeven voor het bouwen van een nieuw huis voor de pasgehuwden. Het werd een statig huis, van alle moderne gemakken voorzien en met decoraties die in het grootsteedse Rotterdam niet hadden misstaan.
De familie Sevink behoorde al decennia lang tot de sociale bovenlaag van Bredevoort, maar de huizen waar zij tot dan toe in waren gehuisvest, waren in schaal en luxe niet te vergelijken met De Vinkenburg. August en Henriette kozen voor een ontwerp geïnspireerd op de sobere Hollands burgerlijke late 17e-eeuwse bouwkunst. Ontwerpen van architecten als Philips Vingboons en Pieter Post, dienden hierbij als inspiratie. De hoekpilasters in de kolossale ionische orde alsook het grote schilddak met stompe schoorstenen op de nokhoeken van de Vinkenburg zijn typerend voor deze architectuurstroming.
Huizen als deze vind je normaal gesproken veelal in het westen van het land. Zou de vader van Henriette zijn inspiratie voor het nieuwe woonhuis gevonden hebben in de binnenstad van het vooroorlogse Rotterdam?

Voor de interieurafwerking werd in deze periode gebruik gemaakt van, uit catalogi afkomstige, voorbeelden. Dit geldt voor het stucwerk, dat werd geleverd door de firma Silberling & Co., alsook het veelvuldig aanwezige glas in lood, dat werd geleverd door De Koninklijke Nederlandsche Glasfabriek J.J.B.J. Bouvy. Ook in het interieur werd gekozen voor een meer traditionele vormgeving.
Dat August en Henriette hiervoor kozen is niet zo verwonderlijk. Het past binnen de algemene tendens onder de hogere middenklassen aan het begin van de twintigste eeuw. Deze groep mensen koos niet voor de moderne stijlen als Art Deco, dat rond deze tijd op zijn hoogtepunt was, maar voor een architectuur die zich meer voegde naar de gevestigde bovenlaag van de samenleving. Zij spiegelden zich op deze wijze aan het ‘’oude geld’’.

Geheel in lijn met dit fenomeen was het hebben van personeel voor de dagelijkse bestiering van het huishouden. De familie had een meid in dienst die op zolder sliep en daarnaast nog personeel dat iedere ochtend uit het dorp kwam. Een bellenbordsysteem moest ervoor zorgen dat zij te allen tijde in dienst van de familie stonden. Met een simpele druk op de knop kon de familie het personeel laten aanrukken.
Naast een groot gemak zorgde dit ook voor een inperking van privacy. Om er zeker van te zijn dat personeel niet onverhoeds een gesprek meekreeg dat niet voor hun oren bestemd was, werd er voor discretie een dubbele deur geplaatst tussen de daagse kamer en de keuken.

Lang heeft de familie niet van het huis kunnen genieten. Met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog kwam de import van grondstoffen vanuit Duitsland, waar de textielfabriek van afhankelijk was, stil te liggen. Deze financiële tegenslag is de familie nooit helemaal te boven gekomen.
Op basis van krantenberichten is op te maken dat het aandeel van August in de textielfabriek rond 1921 voor de som van 28.200 gulden werd verkocht aan de broer van August. In een ander krantenbericht staat geschreven dat August en Henriette rond 1925 in Bocholt resideerden. August was toentertijd van plan om een nieuwe textielfabriek te openen in Lichtenvoorde.
Na het vertrek van de familie Sevink heeft, het gezin van een boomkweker De Vinkenburg bewoond. Deze familie bewoonde het huis totaal anders dan de textielfabrikant en zijn gezin. Een deel van het huis werd gebruikt als opslagplaats voor zaden en de familie woonde voornamelijk in de keuken, eetkamer en serre. De boomkweker heeft vrijwel niets aan het huis veranderd en het spaarzaam onderhouden. Opvolgende bewoners spaarden het interieur eveneens. In 2004 werd het huis aangekocht door Piet en Fenny de Heus. Met veel liefde wordt het huis opgeknapt en in oude luister hersteld. Dankzij de familie de Heus is een stukje sociaal economische textielgeschiedenis van Bredevoort bewaard gebleven.

Dankzij de familie de Heus is een stukje sociaal economische textielgeschiedenis van Bredevoort bewaard gebleven.
Nieuws_Erfgoed-Oost-Achterhoek-De-vinkenburg-bredevoort
August en Henriette
Dubbele deur

Bron

De Haan, A., Landhuizen en villa’s in Nederland tussen 1840 en 1916, Utrecht 2016.

De Haan, J., Villaparken in Nederland, Haarlem 1986

Mebes, P., Um 1800: Architektur und Handwerk im letzten Jahrhundert ihrer traditionellen Entwicklung, München 1908.

Melding van aanbesteding Vinkenburg door aannemer Loerdijk uit Winterswijk. Korte berichten, in: De Graafschapbode, 02-11-1915, geen nummering.

Berichtgeving over ondertrouw op 13 april 1916. Burgerlijke stand, in: Rotterdams nieuwsblad, 15-04-1916, p. 4.

Doorverkoop textielfabriek te Bredevoort. Binnenland, in: De Graafschapbode, 30-09-1921, geen nummering.

Vestiging textielfabriek te Lichtenvoorde. Binnenland, in: De Graafschapbode, 12-05-1925, geen nummering.